Nadersnelheid
Nadersnelheden
Tijdens het rijden op de weg doe je er verstandig aan in bepaalde situaties langzamer te rijden. Een aantal van deze situaties zijn bijvoorbeeld bij nadering van:
- een zebrapad
- een stoplicht
- een school
- een (gevaarlijk) kruispunt
- een (onoverzichtelijke) bocht
Ook bij tramrails, gaten in de weg, uitstekende putdeksels, gladde strepen en pijlen op de weg kun je het beste je snelheid aanpassen omdat er gladheid kan worden veroorzaakt door verkeersomstandigheden. Ook bij bushaltes moet je je snelheid aanpassen zodat je het overige verkeer niet hindert.
Stopaftand
De stopafstand wordt in de regel onderverdeeld in twee delen: de reactieafstand en de remafstand. De reactieafstand is de afgelegde afstand tussen het zien van bijvoorbeeld een tegenligger en het daadwerkelijk indrukken van de rem. De remafstand is de afstand vanaf het indrukken van de rem totdat je stilstaat. De vuistregel om te bepalen hoeveel de remafstand is bij een bepaalde snelheid is als volgt:
"De snelheid deel je door 10. Deze uitkomst neem je in het kwadraat en deel je door 2. Bij een snelheid van 20 km/u is dat dus (20/10)2/2 = 2 meter."
De kans is groot dat je tijdens het officiele examen bij het CBR vragen krijgt over de stopafstand. Als je bijvoorbeeld moet berekenen hoeveel meter je aflegt bij een bepaalde snelheid, kun je een simpele formule gebruiken: de snelheid delen door 10 en vervolgens vermenigvuldigen met 3. Als je bijvoorbeeld 20km/u rijd, dan is dat (20/10*3) 6 meter per seconde.
Bij een snelheid van 20 km/u is het dan ook verstandig om een tussenruimte te hanteren van ongeveer 12 meter. Let hier goed op, want als je niet genoeg tussenruimte neemt kunnen er onverwachts ongelukken ontstaan!